Jodendom

Ontstaan

De geschiedenis van het joodse volk begint bij Abraham. Volgens het verhaal in de bijbel werd hij door God geroepen om weg te trekken uit zijn land. Samen met zijn vrouw Sara ging hij op pad. Na enige omzwervingen gingen zij wonen in het land dat we nu Israël noemen. Ze kregen twee zonen, Ismaël en Isaak. Ook Isaak krijgt met zijn vrouw Rebekka twee zonen: Esau en Jakob. De verhalen over Abraham, Isaak en Jakob, ook wel aartsvaders genoemd, zijn heel belangrijk voor het joodse volk. Zij noemen hun God ook wel: ‘de God van Abraham, Isaak en Jakob’.

Een ander belangrijk verhaal gaat over Mozes, die het joodse volk heeft geleid toen ze vluchtten uit Egypte. Door een grote hongersnood was het joodse volk in Egypte terecht gekomen, waar ze als slaven moesten werken. Mozes kreeg van God de opdracht om het volk te bevrijden uit de slavernij en hen terug te brengen naar het beloofde land Israël. Onderweg in de woestijn maken God en het volk een belangrijke afspraak met elkaar: ze sluiten een verbond en ontvangen de tien geboden.

Geschiedenis

De geschiedenis van het joodse volk kent nog meer verhalen verdreven worden uit hun land. Zo werd het land Israël bijvoorbeeld veroverd door de Babyloniërs en werd de Jeruzalem verwoest door de Romeinen. Door al deze veroveringen verspreidde het joodse volk zich over delen van Azië, Afrika en Europa. Tragisch dieptepunt is de vervolging door de Nazi’s in de jaren 30 en 40 van de vorig eeuw. Toen zijn er miljoenen joden omgekomen in vernietigingskampen. Momenteel leven er op de hele wereld ongeveer 13 miljoen joden. Daarvan wonen er 5,1 miljoen in Israël en 5,3 miljoen in de Verenigde Staten. In Nederland wonen er ongeveer 35.000.

Geloof

De joden geloven dat er één God is. Hun belangrijkste gebed, het ‘Sjemá’, begint met de woorden “Hoor Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is één!” God heeft wel een naam, maar die mag niet uitgesproken worden. Daarom noemen ze Hem bijvoorbeeld ‘De Eeuwige’. Maar soms ook ‘De Heilige’ of ‘De Naam’. Ook mogen er geen afbeeldingen van God gemaakt worden.

Voor de joden is God de schepper van hemel en aarde. Hij heeft het volk geholpen te ontsnappen uit de slavernij in Egypte (daarover gaat de film ‘De prins van Egypte’). Mozes werd toen de leider van de joden. Onderweg in de woestijn sloten God en het joodse volk een Verbond. Dat is een belangrijke afspraak. God belooft daarin voor zijn volk zorgen; als een goede vader zal Hij voor ze zijn. De joden beloven zich aan de opdracht van God (de thora) te houden. Het is de opdracht om de wereld heilig en goed te maken. 

Samenkomst

In Jeruzalem was een mooie tempel gebouwd, om God te vereren. Maar in het jaar 70 werd die tempel door de Romeinen afgebroken. Nu is er enkel nog een zijmuur van het fundament te zien. Die ‘Klaagmuur’ is voor veel gelovige joden een heilige muur, waar ze naar toe gaan om te bidden. Sinds de tempel is afgebroken komen de joden bij elkaar in hun synagogen. De leermeesters, de Rabbijnen, helpen hun zich aan het verbond met God te houden.

Op de zevende dag van de week, de sjabbat, gaan veel joden naar de synagoge. Er wordt voorgelezen uit het heilige boek, de tenach. Er wordt gezongen en gebeden. Maar de sjabbat begint thuis, de avond ervoor, op vrijdagavond. Het huis is opgeruimd en het eten voor de sjabbat is al klaargemaakt, zodat dat op sjabbat niet meer hoeft. Want de sjabbat is een rustdag. Een dag waarop je niet werkt, maar tijd en aandacht hebt voor je gezin en voor God.

Dood

Als iemand is doodgegaan, wordt hij gewassen en in een eenvoudige houten kist gelegd. Men kijkt niet meer naar de dode, maar blijft wel bij hem waken. Zo snel mogelijk wordt hij begraven. Cremeren doen ze liever niet, vanwege het geloof dat de doden eens op zullen staan.

Na de begrafenis mag de familie getroost worden. Niet alleen met woorden, maar ook met eten (meestal brood en ei). In de rouwperiode, die een maand duurt, zegt men dagelijks het kaddiesj-gebed. Dat wordt wel eens het ‘gebed voor de doden’ genoemd, maar het is een gebed om God te eren. Je moet je geen zorgen maken over wat er na de dood komt, vinden de joden. Daar zal God wel voor zorgen. Op de eenvoudige grafsteen staat vaak de afkorting TNTsBH. Dat betekent: 'Moge zijn ziel gebonden zijn in de bundel des levens'. Meestal legt men geen bloemen op het graf, maar steentjes.

Rituelen, symbolen en gebruiken

Als meisjes twaalf en jongens dertien jaar zijn, kunnen ze bat (dochter) of bar (zoon) mitswa (de leefregels / voorschriften) worden. Eerst krijgen ze een jaar lang les, tot ze genoeg weten om de regels van het joodse volk op zich te nemen. Ook leren ze Hebreeuws. Op de dag van hun ‘bar mitswa’ of ‘bat mitswa’ is er een plechtige viering. Ze lezen dan hardop voor uit de tenach, het heilige boek van de joden. Het eerste deel, waaruit ze dan lezen, heet de thora (de opdracht). En dan wordt er feest gevierd, want ze zijn nu volwassen voor het joodse geloof.

Niet alle joden geloven in God. Toch horen ze bij het joodse volk. Het is helemaal niet zo belangrijk wat je gelooft, vinden veel joden. Het is veel belangrijker wat je doét! Toen God een verbond sloot met het joodse volk, ging Mozes, hun leider, de berg Sinaï op. Daar kreeg hij van God de thora. De tien geboden zijn het meest bekend, maar het gaat in totaal om wel 613 opdrachten en regels! Zo’n opdracht heet een ‘mitswa’. Veel opdrachten gaan over de manier waarop je met elkaar moet omgaan. Veel andere zijn godsdienstige regels. Een paar voorbeelden:

·          Je moet evenveel van je naaste houden als van jezelf.

·          Je mag geen andere goden dienen of erin geloven.

·          Je moet ouderen met respect behandelen.

·          Je mag niet werken op sjabbat.

·          Je mag geen roddels over anderen vertellen.

·          Op het joodse Paasfeest, Pesach, moet je matzes (ongezuurde broden) eten.

Het gaat erom dat de joden door hun manier van leven deze wereld heiliger en beter maken. Iedere jood moet er goed over nadenken en erover praten hoe hij dat het beste kan doen. De opdrachten en regels zijn richtlijnen daarbij.

Een mezoeza is een klein versierd kokertje dat aan de deurpost van een joods huis wordt bevestigd. In het kokertje zit een stukje perkament met een tekst uit de thora. Iedere keer als je naar binnen of naar buiten gaat, word je herinnerd aan het verbond van de joden met God.

Feesten

In de herfst worden er kort achter elkaar een paar grote feesten gevierd. Het begint met het joods Nieuwjaar: Rosj Hasjana. In de synagoge wordt op de ramshoorn geblazen om de gelovigen op te roepen na te denken over hun daden in het afgelopen jaar. Thuis een men appeltjes met honing als teken van een goed en zoet nieuw jaar. Dan volgt de grote verzoendag, Jom Kippoer. Een dag lang wordt er gevast, dus niet gegeten en niet gedronken. De joden doen boete en bidden om vergeving.

Vijf dagen later is het Soekot (loofhuttenfeest). Men dankt God voor de oogst van het afgelopen jaar. Er wordt een hutje gebouwd, om een week lang in te eten en te spelen, en – in warme landen – te slapen. De joden denken zo terug aan de tijd dat het volk door de woestijn trok en ze goed voelden dat ze afhankelijk waren van Gods bescherming.

In december vieren de joden Chanoeka, het lichtjesfeest. Elke dag wordt er een lichtje meer aangestoken tot alle acht lichtjes van de kandelaar branden. De kinderen krijgen cadeautjes of chocolademuntjes, en ze eten oliebollen. Ook het spelletje met de dreidel, een tol, hoort bij dit feest.

In maart wordt Poerim gevierd, dat een beetje op ons carnaval lijkt. Het verhaal over Esther wordt voorgelezen, een joods meisje dat koningin werd in Perzië. De eerste minister, Haman, wilde alle joden laten doden. Door haar moedig optreden heeft Esther haar volk gered.

Een maand later is het Pesach, het joods paasfeest. Dit feest herinnert aan de bevrijding uit de slavernij in Egypte. Er worden platte broden (matzes) gegeten. Het feest begint met Seideravond, waar het verhaal over de uittocht wordt verteld aan de hand van liedjes en symbolen, zoals bittere kruiden, waarvan je tranen in je ogen krijgt.

Eten

Er zijn in de thora ook opdrachten en voorschriften over eten. Je mag niet zomaar alle vissen en vogels eten. En ook niet alle zoogdieren. Alleen de zoogdieren die gespleten hoeven hebben én herkauwen, zijn ‘koosjer’. ‘Koosjer’ betekent geschikt, in orde, oké. Een varken heeft wel gespleten hoeven, maar is geen herkauwer, en is dus niet oké. Daarom mogen joden geen varkensvlees eten.

Verder mag je geen vlees en melk vermengen. Als je vlees hebt op je brood, mag je er dus geen melk bij drinken. En als je vlees eet bij de warme maaltijd, dan neem je geen toetje waar iets van melk in zit: dus geen yoghurt, vla of slagroom. Ook in de keuken moet je melk en vlees gescheiden houden. Je gebruikt andere pannen en ander bestek.